Leonardo da Vinci (1452-1519) zou ooit hebben geschreven “Het hoofddoel van de schilder is een plat vlak te doen voorkomen als een voorstelling in reliëf dat uit het vlak naar voren steekt”. Nu, zo’n 500 jaar later, geldt dat eigenlijk nog steeds voor een schilderij. De lege ondergrond moet zodanig worden bewerkt, dat het een schilderij wordt met vorm, compositie, kleur en inhoud.
Dat kan een paneel, linnen, maar ook een muur zijn. Meestal is de ondergrond een plat vlak waarvoor de schilder regelmatig een voorstudie of ontwerpschets maakt om het onderwerp en de compositie zo goed mogelijk weer te geven. Het uiteindelijke schilderij kan daarvan afwijken. Omdat de schilder de voorstudie zelf maakt, krijgt zo’n schets iets persoonlijks en ontwikkelt zich door de jaren heen een eigen handschrift.
Tot de 19e eeuw werden landschapsschilderijen buiten geschetst en later in het atelier geschilderd. Dit had een praktische reden. Olieverf werd in het atelier gemaakt en vóór 1840 bestond er geen olieverf in tubes. Met de komst van de verftube wordt het schilderen op locatie een stuk gemakkelijker. Het resultaat van deze ontwikkeling zie je voor het eerst bij schilders van de School van Barbizon. Zij worden als de eerste echte buitenschilders beschouwd. De Franse impressionisten volgen daarna deze werkwijze.
Wanneer rond 1839 de fotografie wordt uitgevonden, is dat van invloed op de schilderkunst. Het maken van portretten wordt deels overgenomen door de fotograaf en daarnaast gaan schilders foto’s gebruiken om er schilderijen van te maken. Breitner(1857-1923) is daarvan een mooi voorbeeld, maar ook Picasso(1881-1973) maakt er gretig gebruik van.
Aan het einde van de 19e eeuw zien we de ontwikkeling van de schilderkunst in een stroomversnelling raken. Begin 20e eeuw gaat het helemaal los. Fauvisme, expressionisme, kubisme, futurisme en wat later de abstract expressionisten en Ecole de Paris enz. De eerste aquarel ooit, gemaakt door Kandinsky (1866-1944) in 1910, is de aanzet tot veel vrijheid. Men gaat meer experimenteren en alles is geoorloofd om het maagdelijke vlak te vullen met verf.
Het Amerikaans abstract expressionisme komt na WO 2 de oceaan over om in Europa tentoon te stellen. Deze exposities in de 50er jaren ( de tijd van de koude oorlog) worden door de CIA ingezet als wapen. Zij financieren en promoten de tentoonstellingen van Amerikaanse schilders zoals De Kooning (1904-1997), Pollock (1912-1956), Rothko( 1903-1970) en Motherwell (1915-1991). Het doel is het tonen van de VS als centrum van moderne cultuur en vrijheid.
Hoe ging het met het gebruik van voorstudies? Deze waren voor veel schilders nog steeds belangrijk, ook voor de abstracten zoals Picasso, De Kooning, Motherwell en Juan Miró (1893-1983). Veel van hun schilderijen ogen spontaan geschilderd, maar hadden een voorstudie als uitgangspunt. Vaak zijn het kleine krabbels of experimenten op papier waar een vergroting van werd gemaakt. Ik denk dat Juan Miró het merendeel van zijn grotere doeken aan de hand van kleine voorstudies heeft geschilderd.
Alle schilders genoemd in deze tekst zijn klassiek en figuratief begonnen. Dit hadden ze nodig als fundament voor hun latere werk.Kunstacademies besteden de laatste decennia minder aandacht aan de basiskennis voor de schilderkunst. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van het schilderij. Om me heen zie ik steeds minder “echte“ schilders. Wat me opvalt is dat de jongere generatie regelmatig gebruik maakt van geprojecteerde foto’s op het doek. Deze worden vervolgens naar behoeven ingevuld met verf. Wellicht hoort het bij deze vluchtige tijd.
Een ontwerpschets van de kubist Jan Broeze(1896-1983) met daarbij het uiteindelijke schilderij, waarbij hij iets is afgeweken van de tekening.

Theo Wolvecamp(1925-1992) die veel experimenteerde met Oost-Indische inkt op papier. Hij gebruikte de schets middenonder als uitgangspunt voor het bekende schilderij “Gabriël” uit zijn zwartwit periode.

Tot slot Juan Miró. De kleine schets met waskrijt was aanleiding voor het grote schilderij “ Personage voor de zon”.

Henk Lassche