Een tijdje geleden was ik weer eens in Rijksmuseum Amsterdam. Mijn doel was voor de zoveelste keer het Joodse bruidje” (Isaak en Rebekka) van Rembrandt. Ik kan me daar nog steeds oprecht op verheugen. De meeste mensen snellen naar de “Nachtwacht”, wat natuurlijk een meesterwerk is, maar heeft mij nooit zo kunnen beroeren. Het “Joodse bruidje” vind ik altijd weer genieten. Het is niet zozeer de afbeelding waar ik op reageer, maar de verfbewerking. Ik ben gek op goede schilderijen met dikke lagen olieverf, heb voel en lik neigingen, maar dat mag niet in een museum. Het is “handen op de rug en zover mogelijk naar voren buigen”.
Waarom is het zo’n intens schilderij en gaat het bij mij zo diep? Rembrandt gebruikte de glaceertechniek. Een techniek die al sinds de Vlaamse Primitieven werd gebruikt. Een schilderij wordt opgezet met een lichte vaak witte onderlaag met olieverf, waarbij de schilder bij het aanbrengen van de toets verf al rekening houdt met de vorm en de stofuitdrukking. Als deze laag of lagen goed droog zijn worden transparante lagen verf aangebracht om de gewenste kleur te krijgen. Je kunt zo’n schilderij vrij donker glaceren om daarna met een lap de gedeeltes die lichter moeten worden weer wegvegen met een lap. Omdat de transparante lagen in de nerven van de onderlaag kruipen worden de toetsen goed zichtbaar en oogt het schilderij levendig. Let bij het Joodse bruidje eens op de mouwen van beide personen en ook op de diepe rode kleur van haar jurk. Zonder de glaceertechniek kun je zoiets niet schilderen.
In de zeventiger jaren leerde ik deze techniek van Ferdinand Boersma (1906-1979) een oude schilder uit Hengelo. Hij had zijn atelier aan de Langestraat vlak naast het atelier van Theo Wolvecamp, die veel waardering had voor het werk van Boersma. Als je Boersma’s woning betrad, kon je vanuit de gang twee kanten op. Links was de kapsalon, waarmee Boersma als dameskapper de kost verdiende. Achter de deur rechts kwam je in een andere wereld, zijn atelier. Boersma was een meester in de glaceertechniek en een zeer goede tekenaar. Zijn pand is nu café het Uurwerk in Hengelo.

In de 19e eeuw werd bitumen populair. Het is een warme bruine transparante olieverf, ook asfalt genoemd en een aardolieproduct. Je kunt er prachtig mee glaceren, het droogt nooit volledig en na verloop van tijd wordt het schilderij ook donkerder. Sommige schilders maakten de fout om bitumen als tussenlaag te gebruiken, om daarna verder te schilderen met hun olieverf. Doordat de lagen olieverf niet aan elkaar hechten omdat de bitumen er tussen zit, wat niet droogt, zijn deze verflagen altijd langzaam in beweging op het schilderij. Bitumen droogt niet door verdamping zoals verf, maar door chemische oxidatie.
Ik heb eens gelezen dat in het bekende schilderij “Het vlot van de Medusa” van Delacroix veel bitumen is gebruikt, waardoor het schilderij ernstig is aangetast. Ook William Turner was een gebruiker van bitumen in sommige schilderijen.
Ook verschillende abstracte schilders gebruikten de glaceer techniek. Als Wolvecamp de doeken waar hij lang aan had gewerkt onsamenhangend vond, glaceerde hij het hele schilderij met een dunne laag ultramarijn blauw. Hij ging er daarna met een lap overheen om het meeste weer weg te vegen. Doordat overal ultramarijn in de nerven bleef zitten, ontstond er meer harmonie in het schilderij.
Mocht u weer eens een bezoek brengen aan het Rijksmuseum Amsterdam en u staat voor het Joodse bruidje, “handen op de rug en zover mogelijk naar voren buigen”.
Tot slot. Houdt u van goede schilderkunst uit onze provincie Overijssel, bezoek dan vanaf november de tweede editie van de Biënnale Overijssel in Kunsthal Almelo. Daar hangen prachtige schilderijen van 1800 tot heden van 12 deelnemers. Te zien van 17 november 2026 tot 21 februari 2027. Meer info op de site van Kunsthal Almelo.
Henk Lassche